
Van Het Groot Niet Te Vermijden naar solo was doodeng
Interview met Chris Grem
Na jarenlang deel te hebben uitgemaakt van Het Groot Niet Te Vermijden staat Chris Grem nu solo op het podium. Hij vindt het spannend, maar vooral bevrijdend. Dat en meer in dit interview met Chris Grem over zijn voorstelling Ode aan het Levenslied
Je staat nu solo op het podium, na jarenlang deel te hebben uitgemaakt van Het Groot Niet Te Vermijden. Hoe was die overgang voor jou persoonlijk?
Het was natuurlijk totaal nieuw om ineens helemaal alleen op het podium te staan en daardoor ook enorm spannend. Zeker de eerste keren was ik bloednerveus, omdat ik geen vangnet meer had. Als ik nu iets vergeet of verkeerd doe, fluit niemand me terug. Niemand vangt me nog op, zoals dat in een groep wel gebeurt. Ik moet mezelf opvangen. Doodeng dus, maar ook geweldig. Ik heb alle vrijheid. Niemand bepaalt hoe mijn programma gaat, alleen ik. En hoe vaker ik nu alleen op het podium sta, hoe makkelijker het me afgaat. Nu geniet ik ervan.
Je had nooit het plan om muzikant te worden. Wat heeft ervoor gezorgd dat je op dat ene moment toch besloot: dit ga ik doen?
Nee, het was meer dat ik me helemaal niet realiseerde dat het een optie was. Ik dacht dat ik gewoon een normale baan moest. Dat wilde ik eigenlijk ook: gewoon normaal doen. Maar dat gaat me toch vrij slecht af.
Ik heb het ook niet echt besloten, het is gewoon zo gegaan. Ik studeerde pedagogiek, maar op een gegeven moment kon ik niet anders meer dan muzikant zijn. Het was een drive. En vanaf het moment dat ik voor het eerst in het theater stond, met Fay Lovsky, wilde ik ook meer dan alleen maar muziek maken. Ik wilde meteen theater maken. Ik wilde iets met die zaal.
Die situatie is elke keer zo uitnodigend. Je stapt een podium op en er zit een zaal met mensen naar je te kijken, zo van: doe dan iets. Nou, dan krijg ik automatisch heel veel zin om iets te doen. Iets waardoor ze blijven kijken. Iets waarmee ik ze raak. Dat kan van alles zijn: muziek, zang, humor, iets verrassends, iets dramatisch, iets spannends. Of voor mijn part ga ik dansen of doe ik iets absurds. Van alles. Ik hou ervan.
Welk moment uit de voorstelling zorgt altijd voor de leukste reacties?
Mensen gaan wel lekker op de masterclass ‘Hoe zing ik een levenslied?’, die tijdens de voorstelling wordt gegeven door mijn alter ego Frans Engels. Dat is een Rotterdamse levensliedzanger die weet hoe het moet en dat komt hij even uitleggen. Er wordt ook lekker gelachen als ik laat zien wat de speciale zangtechniek van Frans Bauer is.
Er zitten bovendien een paar echte eyeopeners in de voorstelling. Dat wordt ook vaak genoemd na afloop.
Wat vind jij zelf leuker op het podium: ontroeren of vermaken?
Het voelt allebei heel lekker. Mensen heel even aanraken, in figuurlijke zin, vind ik echt iets heel moois. Ik heb bijna elke avond iemand in de zaal die me na afloop komt bedanken omdat ze lekker hebben kunnen huilen. Dat zijn vaak mensen die net iemand zijn verloren. Als zo iemand dan zegt: ‘Ik durfde het te laten gaan, ik schaamde me niet. Ik kon gewoon huilend meezingen, terwijl me dat thuis niet lukt,’ dan heb ik wel het gevoel dat het toch een klein beetje zin heeft.
Mensen aan het lachen maken is ook heel lekker natuurlijk. Voor mij horen die twee echt bij elkaar: de lach en de traan. Dat vind ik eigenlijk het mooiste aan deze voorstelling. Ik zie de mensen opengaan. Als bloemetjes. Door te lachen durven ze makkelijker hun gevoel te uiten. En door uit volle borst te zingen, lachen ze ook harder.
Wanneer stap jij na afloop van het podium met het gevoel: ja, dit klopte?
Soms gaat alles zo lekker stromen en is er zo’n goede interactie met het publiek dat alles lukt. Alles krijgt dan de juiste energie en dynamiek, en dat is gewoon te gek. Als ik dan ook nog eens nul fouten heb gemaakt — geen muzikale slippertjes, geen pianotoetsen die onder mijn vingers wegglijden, geen stroeve gitaarakkoorden, geen inhoud overgeslagen die ik heel graag kwijt wil — ja, dan klopt het.
Deze voorstelling speelt sowieso erg lekker. Het publiek staat uiteindelijk altijd elkaar vast te pakken en uit volle borst mee te brullen. Dat doen ze niet meteen, maar zo is de voorstelling ook opgebouwd. Je moet elkaar eerst een beetje leren kennen. Het is net een relatie, haha.
Wat hoop je stiekem dat mensen anders gaan bekijken of voelen na het zien van Ode aan het levenslied?
Een paar dingen. Ik hoop dat ze vaker durven zingen. Gewoon lekker overal, in het openbaar. Het is zo gezond en zo gezellig. En daar hoeft heus geen alcohol bij, want dan durft iedereen wel. Ik bedoel zingen om je te uiten. Om stoom af te blazen. Om je blijdschap of je verdriet te laten horen. Dat is zoiets moois.
Daarnaast hoop ik dat er elke avond een paar mensen zijn die ontdekken dat een levenslied niet per se plat, holadiee-stampgedoe hoeft te zijn. De mooiste en indrukwekkendste levensliederen zijn niet gemaakt om veel geld te verdienen of heel beroemd te worden. Er zijn heel veel prachtige klassiekers gemaakt door mensen die iets kwijt moesten. Die hun verhaal en hun gevoel, hun lach en hun traan, in die liedjes hebben gestopt. Dat vertel ik ook. Het is onze oorspronkelijke cultuur.
Voor mij drijft het soms iets te veel af richting de skihut en de shotjes, terwijl die echte mooie nummers juist heel veel kunnen betekenen voor mensen.
Bezoek de voorstelling!
Wil je de voorstelling bezoeken na het lezen van dit interview met Chris Grem? Bekijk dan de speellijst van Ode aan het Levenslied om te zien wanneer zij bij jou in de buurt speelt.
Foto: Jan Willem Bullee
Socials

